Virusbestrijding aan de Kaap in 1755

Plattegrond van Kaapstad, Carl David Wentzel, 1760, Nationaal Archief, 4.VEL 837.

Na de verwoestende pokkenepidemie van 1713 bleef de Kaap lange tijd gevrijwaard van grootschalige uitbraken van besmettelijke ziekten. In 1755 was het echter opnieuw raak. Met een van de retourschepen van de VOC werden de pokken in april meegebracht van Ceylon. De slaven van de burger Jan de Waal, die in de buurt van het strand werkten, raakten als eersten besmet. Aangezien de meeste slaven in de huizen van hun eigenaars woonden, sloeg het virus binnen de kortste keren over op de burgerbevolking. Halverwege mei had het virus zich over de hele stad verspreid. De ziekte dook vervolgens ook op in binnenland van de kolonie.

Op 21 juni riep gouverneur Rijk Tulbagh de Politieke Raad bijeen om de situatie te bespreken. Op advies van de beide opperchirurgijns van het gouvernement Barthold de St. Jean en Johannes van der Riet en de burgerpractisijns Jan Hassing, Dirk Weydenaar en Honoratus Maynier voerde de raad maatregelen in ter bestrijding van de pokken. Uit vrees voor de verspreiding van het virus via vers vlees en warm brood werden bakkers en slagers verplicht zieke gezinsleden en slaven onmiddellijk uit hun huis te verwijderen. Anders moesten zij hun zaak sluiten. Om dezelfde reden verbood de raad het aloude gebruik van het aanbieden van gebak op begrafenissen.

De raad verordende ook dat slachtoffers van de pokken niet ontkleed mochten worden begraven, maar met de kleren die zij droegen op het moment van overlijden. De lichamen moesten zo snel mogelijk in de kist worden gelegd. De kist moest meteen worden dichtgemaakt. Burgers moesten binnen 48 uur worden begraven, slaven binnen een etmaal. Het vuile linnen of andere goed van overledenen moest vanwege de besmettelijkheid op een speciaal aangewezen plek achter het Kasteel de Goede Hoop worden gewassen. Het verkopen, verhuren en uitlenen van rouwkleding werd ook verboden.

De raad bepaalde verder dat overledenen op het platteland niet langer naar het kerkhof in de stad mochten worden gebracht. Zij moesten worden begraven op de boerderij waar zij stierven. Tot slot kreeg de Burgerraad, het lokale bestuur van Kaapstad, de opdracht aparte huizen in te richten voor de isolatie en behandeling van zieke slaven. Als tegemoetkoming voor de hoge kosten deden de gouverneur en de leden van de Politieke Raad een particuliere gift. De slaveneigenaars moesten voor de behandeling van iedere zieke slaaf 16 stuivers per dag betalen. Zieke gezinsleden of slaven moesten meteen worden gemeld bij de chirurgijn die verantwoordelijk was voor de huizen waar de slaven werden behandeld.

Op overtreding van de maatregelen stonden boetes van 50 tot 200 rijksdaalders, destijds enorme bedragen. Slaven riskeerden bovendien strenge geseling. De Politieke Raad maakte de maatregelen bekend aan de bevolking middels plakkaten die overal in de stad werden opgehangen.

Gezigt van Cabo de Goede Hoop met het Kasteel te sien in het N.W. na het leven geteekend door Johannes Rach, 1762, Perpustakaan Nasional Republik Indonesia.

De diaconie nam de zorg voor zieke burgers op zich. Hiervoor kreeg de diaconie een derde van de opbrengst van de boetes. De diaconie liet de boerderij Vredenhof in Wynberg, die door Jan de Waal ter beschikking was gesteld, ombouwen tot een noodhospitaal voor burgers. Het personeel van de VOC werd in het VOC-hospitaal aan de Heerengracht behandeld. Voor zieke Compagniesslaven werd een aparte ruimte in de slavenloge aan de overzijde van de gracht ingericht.

Tijdens de vergadering op 21 juni schonk de Politieke Raad een stuk land naast het soldatenkerkhof ten noordwesten van de stad aan de diaconie voor de aanleg van een nieuw kerkhof. Op het oude kerkhof rondom de Groote Kerk was bijna geen plek meer. Kerkdiensten gingen ondertussen gewoon door, zij het met beduidend minder kerkgangers.

Hoewel het virus het hevigst toesloeg in Kaapstad, zat ook op het platteland de schrik er goed in. De landdrost en de krijgsraad van Stellenbosch en Drakenstein besloten de jaarlijkste exercitie en wapenschouw van de burgermilitie in oktober te annuleren. Boeren vermeden uit angst voor besmettingen de stad, waardoor de voedseltoevoer in gevaar kwam. Bij uitzondering stelde de Politieke Raad op 15 juli koren uit het graanmagazijn van de VOC beschikbaar voor de bakkers in Kaapstad.

De Politieke Raad probeerde ook te voorkomen dat het virus zich verspreidde naar de retourschepen in de Simonsbaai, de officiële winterankerplaats van de VOC. Op 15 juli kreeg Adriaan de Nijs, de posthouder van de Simonsbaai, de opdracht om bij de aankomst van schepen aan de bemanningsleden door te geven dat behalve de hogere scheepsofficieren en de passagiers met een hoge rang niemand mocht afreizen naar de omliggende boerderijen, laat staan naar Kaapstad. Om de maatregel te kunnen handhaven moest de posthouder ervoor zorgen dat de onderofficieren en het scheepsvolk ’s avonds tijdig terugkeerden aan boord.

Op 2 september nam de raad maatregelen om toekomstige uitbraken te voorkomen. De equipagemeester, die uit hoofde van zijn functie alle schepen in de Tafelbaai bezocht, kreeg de opdracht op schepen uit Ceylon en Bengalen te controleren of de bemanningsleden besmettelijke ziekten als de pokken met zich meedroegen. Zowel zieke als genezen bemanningsleden mochten niet aan wal komen. Ook hun wasgoed moest aan boord blijven.

Tabel met de sterftecijfers van de pokkenepidemie, Kaapse dagregister, 31 oktober 1755, Nationaal Archief, 1.04.02 4199 fol. 697V.

Het is de vraag of de maatregelen hebben geholpen. Op 31 oktober werd in het Kaapse dagregister een tabel opgenomen met het aantal gestorvenen per maand en per bevolkingsgroep. In totaal waren 2072 vrije ingezetenen, slaven en vrijzwarten en lijfeigenen van de Compagnie overleden aan de pokken. In het Kaapse district, waar het overgrote merendeel van deze slachtoffers viel, woonden in 1755 ongeveer 6.300 mensen. Bijna een derde van de bevolking van het district kwam dus om tijdens de pokkenepidemie. Uit het binnenland kwamen daarnaast berichten over grote sterfte onder de Khoikhoi en enkele burgers die waren afgereisd naar de oostgrens van de kolonie om op olifanten te jagen maakten melding van veel slachtoffers onder de Xhosa.

Pas in maart 1756 was het virus uitgeraasd. Tijdens de vergadering van de Politieke Raad op 11 maart riep gouverneur Tulbagh woensdag 7 april 1756 uit tot een algemene dank-, vast- en bededag. In alle kerken in de kolonie werd gebeden tot God dat het “Hem dog behagen moge, dit land in ’t vervolg van alle wel verdiende plagen en straffen goedertierentlyk te willen bewaren”.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s