De Cederberg, het land van de rooibos

Rooibosplanten in de Cederberg. De blaadjes krijgen hun kenmerkende rode kleur pas tijdens het fermentatieproces.

Rooibos heeft sinds kort dezelfde status als champagne, feta en Noord-Hollandse Gouda. De Europese Unie heeft rooibos erkend als beschermde oorsprongsbenaming (BOB). In de EU mag rooibos voortaan alleen worden verkocht als die is geproduceerd in bepaalde delen van de West-Kaap en de Noord-Kaap. Op 23 augustus 2021 overhandigde Riina Kionka, de ambassadeur van de EU in Zuid-Afrika, het certificaat ter erkenning van rooibos als BOB aan Martin Bergh, de directeur van Rooibos Limited, in aanwezigheid van de West-Kaapse premier Alan Winde. De ceremonie vond toepasselijk plaats op de Ysterfontein Guest Farm in de Cederberg, het hart van het natuurlijke groeigebied van de rooibosplant.

De Cederberg ligt ongeveer tweehonderd kilometer ten noorden van Kaapstad. De bergreeks strekt zich uit van Citrusdal in het zuiden tot Clanwilliam in het noorden over een afstand van vijftig kilometer. De vroegste bewoners van het gebied waren de San. In grotten en onder overhangende rotsen kunnen hun eeuwenoude rotstekeningen nog altijd worden bewonderd. De San en later de Khoikhoi gebruikten rooibos mogelijk al voor medicinale doeleinden.

Rotstekeningen van de San in de buurt van de Stadsaalgrot in de Cederberg.

In 1660 bereikten de eerste Nederlanders de Cederberg. Commandeur Jan van Riebeeck had een expeditie onder leiding van adelborst Jan Danckaert naar het noorden gestuurd om de weg te vinden naar de legendarische steden Monomotapa, Butua en Davagul. De steden werden niet gevonden, maar ruim drie weken na vertrek uit Kaapstad troffen de expeditieleden een grote rivier aan waar zij honderden olifanten zagen. Zij noemden de rivier toepasselijk de Olifantsrivier.

Rond 1725 vestigden de eerste burgers zich in de Olifantsriviervallei. Een van hen was Jan Dissel, die zijn naam gaf aan de Jan Disselsrivier. Geleidelijk vestigden meer burgers zich in het gebied. De Bataafse Commissie van Veeteelt rapporteerde in 1805 dat er 31 boerderijen waren langs de Olifantsrivier. In 1808 riep de toenmalige gouverneur, de graaf van Caledon, het gebied uit tot een onder-dostdy van het district Tulbagh. De boerderij Jan Disselsvallei, gelegen bij de samenvloeiing van de Olifantsrivier en de Jan Disselsrivier, werd de zetel van de adjunct-landdrost. In 1814 veranderde gouverneur sir John Cradock de naam van de plaats in Clanwilliam ter ere van zijn schoonvader, de graaf van Clanwilliam die overigens nooit een voet in Zuid-Afrika zette.

Het Kaaps-Hollandse Van Zylhuis aan de Parkstraat in Clanwilliam, omstreeks 1930 gefotografeerd door Arthur Elliott. Het huis was oorspronkelijk de woning van de secretaris van de adjunct-landdrost.

De ontwikkeling van Clanwilliam en de Cederberg leek in 1820 in een stroomversnelling te komen. Dat jaar arriveerden bijna vierduizend kolonisten uit het Verenigd Koninkrijk in de Kaapkolonie. De meesten vestigden zich in de Oost-Kaap, maar een groep van zo’n 350 Ieren kwam in Clanwilliam terecht. Zij waren het warme en droge klimaat niet gewend en er was veel te weinig landbouwgrond voor zo’n grote groep. Bovendien waren de meesten van huis uit geen boeren. Binnen twee jaar trokken bijna alle Ieren alsnog naar de Oost-Kaap. In 1824 trof de Engelse handelaar en reiziger George Thompson slechts zes huizen aan in Clanwilliam.

De daaropvolgende jaren ontwikkelde Clanwilliam zich geleidelijk tot het centrum van handel en nijverheid van de Cederberg. Buiten Clanwilliam, op het platteland, waren de fruitteelt en de veehouderij vrijwel de enige bronnen van bestaan. Dit veranderde pas in de tweede helft van de negentiende eeuw toen plaatselijke boeren rooibos begonnen te gebruiken voor het maken van thee.

Een rooibosplant in de buurt van Clanwilliam.

De Russische immigrant Benjamin Ginsberg was de belangrijkste aanjager van de commercialisering van rooibos. Vanaf 1903 begon hij rooibos te kopen van boeren die de naaldvormige blaadjes van de plant in het wild verzamelden. Hij verkocht rooibosthee eerst alleen lokaal. Later breidde hij vanuit zijn winkel in Clanwilliam zijn activiteiten uit over de hele Cederberg en ver daarbuiten. In de jaren twintig leidde de groeiende vraag naar de thee tot problemen met de levering van wilde rooibosplanten. Rond 1930 ontwikkelde de districtschirurg en plantkundige Pieter le Fras Nortier in samenwerking met enkele boeren en met steun van Ginsberg een succesvolle methode voor de teelt van rooibosplanten. Al snel schakelden meer boeren in de Cederberg over op de rooibosteelt en de productie schoot omhoog.

Tegenwoordig verbouwen 450 boeren zo’n vijftienduizend ton rooibos per jaar. Meer dan de helft wordt geëxporteerd. Duitsland, Japan en Nederland zijn de grootste importeurs, gevolgd door het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Op de rooibosboerderijen werken ongeveer achtduizend mensen. Ook de verwerking, verpakking en distributie leveren veel banen op. De rooibosteelt is sinds het prille begin in de tijd van Ginsberg uitgegroeid tot een van de belangrijkste pijlers van de economie van de Cederberg. Deze positie zal alleen maar worden versterkt nu rooibos als eerste product in Afrika een beschermde oorsprongsbenaming heeft gekregen.


Dit artikel verscheen op 30 september 2021 in Spectrum, het blad van het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s