De schipbreuk van de Vis

De schipbreuk van de Vis, Jürgen Leeuwenberg, 1740, National Library of South Africa.

“Brand! Brand!”, riep een van de matrozen op de uitkijk. “Waar is brand?”, schreeuwde de stuurman, maar voordat de matroos kon antwoorden waar hij de branding zag, liep het VOC-fluitschip Vis al op de rotsen van Groenpunt, iets ten westen van de plek waar nu de vuurtoren staat. Tegen alle richtlijnen in had de schipper van de Vis in de nacht van 5 op 6 mei 1740 geprobeerd de Tafelbaai binnen te varen. Hij had het licht van de nieuwe batterij in Drieankerbaai aangezien voor het vertrouwde vuursignaal op Robbeneiland. Het schip was in de duisternis recht op de kust afgevaren.

Toen het licht werd, kwamen verschillende boten uit Kaapstad te hulp. De zware branding maakte het echter onmogelijk het schip te bereiken. Er moest een andere manier gevonden worden om de bemanning en de lading te redden. Drie matrozen namen een touw mee in de sloep van de Vis en probeerden de wal te bereiken, maar de sloep sloeg om en zij verdronken. Enkele matrozen bonden vervolgens op hoop van zegen een touw vast aan een leeg vat dat ze overboord gooiden. Het vat dreef naar de wal waar het touw werd vastgebonden aan twee palen. Op het schip haalden de matrozen het touw door de ringen van de ketel uit de kombuis. Zo ontstond een geïmproviseerde kabelbaan. Telkens werden twee of drie bemanningsleden in de ketel naar de wal getrokken.

Honderden toeschouwers uit Kaapstad trokken in de loop van de dag naar de rampplek om dit spectaculaire schouwspel te zien. De Compagniesdienaar Jürgen Leeuwenberg maakte ter plekke een schets van het tafereel. Later werkte hij de schets uit tot dit schilderij. We zien gouverneur Hendrik Swellengrebel in het zwart naast de tenten die waren opgezet om geborgen goederen te beschermen. Achter hem liggen tien van boord gehaalde geldkisten. Rechts zien we rijke burgers vergezeld door hun slaven. De slaven droegen kenmerkende hoofddoeken en moesten als teken van onderworpenheid blootsvoets lopen. Een van de slaven houdt met een paraplu een dame uit de zon. Anderen verzorgen de paarden.

Leeuwenberg beeldde precies het moment af waarop een van de ringen van de ketel brak en de bottelier, de assistent van de bottelier en een scheepsjongen in de zee vielen. De ring kon het gewicht niet aan omdat de bottelier zijn zakken had volgeladen met dukaten. De assistent en de scheepsjongen wisten het touw te grijpen en werden gered, maar de bottelier verdronk met alle munten in zijn zakken. Twee dagen later, toen de overige bemanningsleden en een groot deel van de lading al aan wal waren gebracht, sloeg de Vis te pletter op de rotsen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s