De Kaapse pokkenepidemie van 1713

Khoikhoi tijdens een storm, anonieme kunstenaar, begin achttiende eeuw, National Library of South Africa.

Op 13 februari 1713 arriveerde vanuit Batavia de retourvloot van de Verenigde Oost-Indische Compagnie onder bevel van Johannes van Steeland in de Tafelbaai. Tijdens de zeereis hadden enkele opvarenden, onder wie de kinderen van Van Steeland, de pokken gehad, maar tegen de tijd dat de Kaap werd bereikt waren zij weer hersteld. Na aankomst werd hun kleding zoals gebruikelijk naar de slavenloge aan de Heerengracht gebracht om gewassen te worden. Binnen de kortste keren was een groot deel van de slaven ziek. Tijdens de daaropvolgende zes maanden overleden bijna tweehonderd van de vijfhonderdzeventig Compagniesslaven.

Van de slaven sloeg het virus over op de VOC-dienaren, de burgers en de Khoikhoi. In mei en juni was in bijna alle huishoudens in Kaapstad iemand ziek of overleden. Mensen waagden zich niet meer buiten. Zelfs de kinderen speelden niet meer in de straten van de stad. De wanhoop was zo groot dat slaven het grote bedrag van een rijksdaalder per dag kregen om op de zieken te passen. Al snel werden de overledenen zonder kist begraven omdat er te weinig hout was. Ongeveer een kwart van de tweeduizend burgers in de kolonie stierf aan het virus.

Kaart van Kaap de Goede Hoop met de namen van Khoikhoistammen, François Valentijn, 1726.

In juni nam het aantal besmettingen in Kaapstad af, maar het virus was toen al overgeslagen naar de plattelandsdistricten Stellenbosch en Drakenstein. Relatief stierven daar iets minder burgers en slaven dan in de stad. Op het dunbevolkte platteland was afstand houden tot besmette personen gemakkelijker en boeren bleven zoveel mogelijk op hun boerderijen. De Khoikhoi, destijds Hottentotten genoemd, werden echter ongekend hard geraakt door de pokken, zoals dominee François Valentijn in zijn Oud en Nieuw Oost-Indiën schreef:

Wat de laatsten, of de Hottentots, betreft, die stierven by honderden gelyk, zoo dat zy over al op de wegen als verslagen lagen, alzoo zy, al vloekende op de Hollanders, die zy zeiden hen betoovert te hebben, met hunne kraalen, hutten en vee, landwaard in vlugtten, in hoope om daar van die booze ziekte bevryd te zullen zyn, waar door men naderhand (gelyk ik in ’t jaar 1714 ondervont) zeer weinig Hottentots, in vergelijking van bevoorens, hier zag.

In de omgeving van Kaapstad kregen slaven de opdracht de lichamen van de overleden Khoikhoi te begraven vanwege de stank. Veel Khoikhoi die naar het binnenland vluchtten, werden gedood door andere Khoikhoi om het virus tegen te houden. Desalniettemin zaaide de ziekte ook buiten de kolonie dood en verderf. Slechts stammen als de Hessequa, Grigriqua en Namaqua, die verder weg in afgelegen gebieden woonden, doorstonden de epidemie min of meer ongeschonden.

De Khoikhoi waren minder goed bestand tegen de pokken dan de Europeanen en de slaven, maar het is onduidelijk hoeveel er precies overleden aan het virus. Waarschijnlijk lag het sterftepercentage voor de gehele Khoikhoibevolking rond de dertig procent. Sommige stammen werden echter bijna uitgewist door de pokken. In februari 1714 kwam een groep Khoikhoi uit de omgeving van de Piketberg ten noorden van de kolonie naar het Kasteel de Goede Hoop in Kaapstad. Zij verzochten de gouverneur nieuwe kapiteins voor hun kralen te benoemen ter vervanging van de vier kapiteins die waren overleden. In hun kralen had slechts een op de tien Khoikhoi de pokkenepidemie overleefd.

Khoikhoi aan het werk op een boerderij, anonieme kunstenaar, begin achttiende eeuw, National Library of South Africa. Let op de Khoikhoi links die een boer om tabak vraagt.

De VOC was nauwelijks geïnteresseerd in het lot van de Khoikhoi. Het Kaapse bestuur maakte zich vooral zorgen om de boeren die zonder de hulp van de Khoikhoi de oogst niet van het land konden halen. Voor het eerst in jaren moesten de boeren zelf met zeisen het land op. Ook werd extra voedsel uit Batavia geïmporteerd. Door de komst van nieuwe burgers en de aanvoer van slaven herstelde de economie van de kolonie zich snel, maar de Khoikhoistammen in het zuidwesten van de Kaap, die toch al waren verzwakt door ruim een halve eeuw koloniaal geweld, kwamen de pokkenepidemie van 1713 niet meer te boven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s